Gevonden nieuwsartikel
Gevonden nieuwsartikel
https://edition.cnn.com/2017/08/17/health/emoticons-emails-study-trnd
Glikson, E., Cheshin, A., & Van Kleef, G. A. (2017). The dark side of a smiley: Effects of smiling emoticons on virtual first impressions. Social Psychological and Personality Science, 9(5), 614–625. https://doi.org/10.1177/1948550617720269
Titel: Using emoticons in work emails make you look incompetent, a study finds
Pro tip: Keep the smiley faces out of your work emails, or else the person receiving the message may think you’re incompetent.
That’s according to a study published in “Social Psychological and Personality Science.” It calls itself “the first systematic investigation of the effects of smileys on first impression formation in work settings.”
As emoticons and other visual representations of language make their way into traditionally text-based communications such as emails and text messages, Ella Glikson, along with co-authors Arik Cheshin and Gerben A. van Kleef, wanted to study the effect the emoticons on the meaning of the message.
“I was very optimistic about the positive power of emoticons. But our initial results surprised me. So we focused on the specific effect of smileys on first impression in work context, and our results were very consistent across different experiments,” Glikson told CNN in an email.
‘A smiley is not a smile’
Using three different experiments with 549 participants from 29 different countries, Glikson, from Ben Gurion University in Israel, found that even if smileys have a positive effect on the tone of the message, that effect is often outweighed by the decrease in perception of competence.
In other words, as the authors wrote in the study, “a smiley is not a smile.”
That contrasts with actual face-to-face smiles, which make an individual appear “more attractive, sincere, trustworthy, warm, and competent.”
It makes it more difficult to work together
Beyond just impacting the perception of one’s competence, the use of emoticons also affected the willingness of the email’s recipient to share information, making it more difficult to work together.
“These lower perceptions of competence reduced the recipient’s information sharing behavior,” the authors concluded. The research was funded by a grant from the University of Amsterdam in the Netherlands, where van Kleef is a professor of social psychology.
Participants read various emails, some with emoticons and some without, to gauge their opinion of the email’s sender.
The simple conclusion: Keep the smiley faces out of formal emails.
“The norms for online communication might be confusing, as what works in an informal context could be devastating in the formal context,” Glikson said.
The rules need to be clearer
So how did the study authors come up with the idea to research the effects of emoticons?
“I noticed that when some teams were using a lot of emoticons, others used much less or none. I got very interested in what impact the emoticons may have on team processes and interpersonal interactions,” said Glikson.
The group with the most to gain (or lose) from the study is the young generation now entering the job market, Glikson says.
Having grown up in an age of cell phones, emoticons and e-slang, it is the young generation that has become most accustomed to crossing the line between the traditional written language and its far more modern variations.
“We think that as emoji evolve into a language, we need to carefully learn the rules and the limitations of this language,” Glikson said.
Eigen nieuwsartikel
Titel: Programmeertalen zijn helemaal geen talen! Of toch wel?
De computer is onmisbaar in de hedendaagse samenleving. De maatschappij is sterk afhankelijk van onze binaire compagnons, en digitale geletterdheid krijgt daarom een steeds grotere rol in het onderwijs. Maar pakken we dat wel op de juiste manier aan? Een nieuw onderzoek van Huang en collega’s kan misschien belangrijke inzichten bieden.
Al onze technologie, van nationale infrastructuur, tot kleine huishoudelijke apparaten zoals je magnetron, wordt aangestuurd met software. Om deze software te schrijven maken programmeurs gebruik van programmeertalen. Maar niet alleen programmeurs, ook data-analisten in bedrijven en de overheid, wetenschappers, en ontwerpers maken allemaal gebruik van programmeertalen in hun dagelijkse werkzaamheden. De programmeertaal is de toegang tot het hart van de computer, en is daarmee een belangrijke vaardigheid in de 21e-eeuwse samenleving. Niet gek dus dat programmeren veel aandacht krijgt in het onderwijs. Maar is die programmeertaal nou eigenlijk wel een taal?
Dit was de onderzoeksvraag van Huang en collega’s. In een recent onderzoek zetten zij resultaten van 30 empirische onderzoeken op een rij, om te ontrafelen welke hersengebieden actief zijn bij het lezen van code in een aantal programmeertalen. Het doel: uitzoeken waar code en taal elkaar raken, en wat dat betekent voor het onderwijs. Kunnen principes die werken voor het leren van een vreemde taal ook effectief zijn voor het leren van programmeertalen?
Onenigheid over hersengebieden
Er zijn twee specifieke hersennetwerken die de neurowetenschappers onder de loep namen: het taalnetwerk, dat gebruikt wordt voor het begrijpen van woorden en zinnen, en het MD-netwerk, dat gebruikt wordt voor logisch redeneren en probleemoplossing. Er is een levendige discussie gaande in het onderzoeksveld. Sommige onderzoekers zijn ervan overtuigd dat programmeertalen vergelijkbaar zijn met natuurlijke talen, zoals Engels en Nederlands. Terwijl anderen juist geloven dat programmeren veel meer te maken heeft met logische redenatie. Als een programmeertaal een “echte” taal zou zijn, zou bij het lezen van code het taalnetwerk moeten oplichten op de hersenscans.
Het onderzoek van Huang en collega’s schetst echter een genuanceerder beeld: beide netwerken zijn actief op hersenscans. En om het nog ingewikkelder te maken: welk netwerk actief wordt hangt af van het soort taak dat participanten krijgen.
Taakverdeling
Het lijkt er dus op dat er een soort taakverdeling is, waarbij taalgebieden activiteit vertonen bij het lezen van code, vergelijkbaar met activatie die geassocieerd wordt met taalverwerking zoals grammatica en zinsbouw. De hersengebieden voor logica uit het MD-netwerk worden juist actief bij het mentaal “uitvoeren” van de code. Ook de volgorde van activiteit past daarbij: taalgebieden worden eerder actief dan gebieden voor logica. De hersenen dus lezen eerst de code als taal, en gaan daarna met de onderliggende logica aan de slag.
Expertise en transfer
Het lijkt er ook op dat expertise mogelijk een rol speelt. Huang en collega’s rapporteren dat beginners sterker leunen op het MD-netwerk, terwijl experts juist sterker gebruikmaken van gebieden voor taalverwerking. Bij ervaren programmeurs zijn de hersenpatronen bij het lezen van code en gewone tekst zelfs nauwelijks van elkaar te onderscheiden. De auteurs vergelijken dit met het leren van een tweede taal: eerst bewust bezig zijn met de regels, later steeds meer automatisering.
Zo vertonen experts bijvoorbeeld een sterker ERP-effect bij het lezen van code met een syntaxfout, een reactie die we vanuit de neurolinguïstiek kennen als het P600-effect, waarbij de hersenen ongeveer 600 milliseconden na een grammaticale fout sterkere elektrische activiteit laten zien.
Implicaties voor onderwijs
Wat betekent dit allemaal voor het programmeeronderwijs? Allereerst is het belangrijk om te weten dat programmeren wel leunt op taalgebieden, maar niet in de klassieke zin van het woord een “taal” is. Het is dus belangrijk dat er niet alleen aandacht wordt besteed aan oppervlaktekenmerken van een programmeertaal, maar ook aan principes die daaraan ten grondslag liggen. Logisch redeneren en “computational thinking” spelen dus ook zeker een belangrijke rol.
In bredere zin lijken taalvaardigheid en programmeren elkaar te versterken. Kinderen die leren programmeren worden ook beter in taalverwerking, en andersom voorspelt taalaanleg ook hoe snel een kind leert programmeren.
Maar er zijn ook nog veel open vragen, daar zijn ook de auteurs het over eens. Het meeste onderzoek samengevat in deze studie is een momentopname. Er is volgens hen onderzoek nodig dat kinderen over langere tijd volgt. Is de positieve invloed van programmeren en taalvaardigheid blijvend? En is er een ideale leeftijd om te beginnen? Daarnaast blijft de vraag of een programmeertaal werkelijk een “echte” taal is, of dat het taalnetwerk simpelweg goed is in structuur. Bij andere vakken zoals muziek en wiskunde zien onderzoekers namelijk dezelfde overlap.