1. Je bent een lesmethode aan het ontwikkelen voor muzieklessen in de onderbouw van de middelbare school. Het hoofdstuk dat je aan het schrijven bent gaat over het leren lezen van muzieknotatie. Je hebt twee afbeeldingen gevonden op het internet die je graag wil gebruiken.

Afbeelding 1 is een afbeelding van een muziekbalk. Op de muziekbalk zijn verschillende noten van verschillende lengtes en toonhoogtes aangeduid met labels. Deze afbeelding wil je gebruiken om lerenden een voorbeeld te laten zien van alle verschillende noten en pauzes die ze moeten kennen.

Afbeelding 2 is een afbeelding van een violist die achter een statief zit waarop een muziekblad ligt. De afbeelding heeft het onderschrift ‘muzikanten gebruiken muzieknotatie als geheugensteun tijdens het optreden’. Deze afbeelding wil je plaatsen bij een opsomming van de functies van muzieknotatie.

Welke functies hebben de afbeeldingen?

A) organisatie en decoratie B) interpretatie en representatie C) transformatie en decoratie D) representatie en representatie

Afbeelding 1 heeft als functie representatie, omdat het een concrete visualisatie is van een gebeurtenis (het wel of niet spelen van een bepaalde noot, op een bepaalde wijze). Het illustreert een belangrijk deel van de tekstuele informatie. Deze afbeelding is niet transformatief, omdat hij niet dient als visuele geheugensteun voor de leerling, en niet interpretatief, omdat de tonen van muzieknoten met de zintuigen waar te nemen zijn, en dus geen abstract concept zijn.

Afbeelding 2 heeft ook als functie representatie, omdat het een voorbeeld van een functie van muzieknotatie illustreert en daarmee een inhoudelijke aanvulling is op de tekstuele inhoud. De afbeelding is niet decoratief, omdat decoratieve afbeeldingen geen direct verband hebben met de inhoud van het lesmateriaal. Deze afbeelding heeft dit wel, omdat het een voorbeeld is. Dat neemt echter niet weg dat de afbeelding óók mooi/aantrekkelijk/motivationeel kan zijn.

Goede antwoord: D

  1. Je bent een leerkracht economie in de onderbouw van het vmbo. Je bent op een studiedag waar je leert over interleaving. Je bedenkt een aantal manieren om dit in de lespraktijk te implementeren. Welke van de volgende ideeën is echter GEEN voorbeeld van interleaving?

A) Het aanbieden van oefenmateriaal en formatieve toetsen waarin alle onderwerpen in willekeurige volgorde voorkomen. B) Lessen op afwisselende tijdstippen en in verschillende lokalen geven, zodat de leeromgeving steeds anders is. C) De ene les werken in tweetallen, andere momenten werken de leerlingen individueel. Er wordt afgewisseld met wie je samenwerkt via een soort buddysysteem. D) Sommige lessen begin je met een uitgewerkte casus die leerlingen bestuderen, en andere lessen begin je met een quiz waarin minder uitgewerkte voorbeelden gebruikt worden. Leerlingen moeten dan zelf de voorbeelden afmaken en daarbij de stof toepassen.

Antwoord A is een voorbeeld het afwisselen van onderwerp en oefentype. Dit is dus wel een voorbeeld van interleaving.

Antwoord B heeft geen invloed op de behandelde inhoud of de manier waarop de lesinhoud wordt aangeboden (heeft slechts invloed op de randvoorwaardelijke zaken), en is dus geen voorbeeld van interleaving.

Antwoord C is een voorbeeld van variatie in samenwerkingsvormen, door het afwisselen van groepsgrootte en samenstelling. Dit is dus ook een voorbeeld van interleaving.

Antwoord D is een voorbeeld van het afwisselen tussen uitgewerkte voorbeeldenen deels uitgewerkte voorbeelden. Dit is dus ook een voorbeeld van interleaving.